Turks-Nederlandse moeder leeft al een jaar op straat

Foto's: Hüseyin Atasever
Iemand die onverhoopt werkloos wordt kan in Nederland altijd een uitkering aanvragen. Daarnaast zijn er instanties die mensen met problemen op weg helpen. Toch kan dit sociaal vangnet niet altijd voorkomen dat mensen op straat belanden. Nilufer Deveci legt aan deze krant uit waarom zij al sinds maart 2015 in haar auto woont.

Ondanks de relatief zachte winter dit jaar is het koud in Rotterdam. Op een parkeerplek in de stad zit Nilufer Deveci (43) in haar oude Golf. Zij lijkt zich weinig aan te trekken van de kou. Al haar ramen staan wijd open en zij heeft slechts een spijkerjack aan ter bescherming. De muziek staat luid, een bekende Turkse zanger zingt intens over het nemen van afscheid en de pijn die daarmee gepaard gaat. Deveci, moeder van drie zonen, woont sinds maart 2015 in haar auto. Haar kofferbak is volgepropt met schoenen en kleding en op de achterbank ligt een kussentje en een dunne deken. Het dashboard heeft zij gereserveerd voor de meer persoonlijke spullen om een huiselijke sfeer te creëren: een foto en een kraaltje van haar inmiddels overleden vader.

De ellende voor deze Turkse Nederlander begon allemaal in 2011. Een koeriersbedrijf dat zij met haar ex-man runde ging failliet. Haar gokverslaafde ex liet haar met honderdduizend euro schuld achter en vluchtte naar Turkije. Alsof dat nog niet genoeg was, werd beslag gelegd op haar inkomen en werden haar kinderen van haar afgenomen. Vanaf dat moment stortte zij in. Zij verliet haar huis, waardoor haar uitkering – waar zij recht op had op grond van de Participatiewet – werd stopgezet (opgeschort). Zij had haar huis verlaten omdat de herinneringen daar haar te veel werden. Vervolgens verhuisde zij naar een tijdelijke woning in Hoogvliet. Daar bouwde zij een huurachterstand van drieduizend euro op. Daardoor werd zij het huis uitgezet. Haar drie kinderen werden elders ondergebracht. Het oudste (17) kreeg een plekje in een “uitwijkhuis” van Flexus Jeugdplein. De jongste twee (16 en 10) werden opgevangen door twee verschillende gezinnen.

Vervolgens kreeg zij een plek aangewezen bij onder meer het Leger des Heils, maar door haar psychische gesteldheid, waarvoor zij anti-depressiva en een slaapmiddel gebruikt, kon zij het daar niet lang volhouden. “Ik kreeg woede-uitbarstingen en dat werd erger naarmate ik daar langer zat. Er zaten daar veel blowende mannen en dat maakte dat ik me onveilig voelde, ik kreeg steeds meer de drang om te vluchten.” In maart 2015 deed zij dat. Zij sliep de eerste paar nachten op Rotterdam Centraal en trok daarna in in haar auto. “Ik zal de eerste nacht op het Centraal Station nooit vergeten. Voor het eerst in mijn leven ervaarde ik wat kou echt is. Dat ik het nu minder koud heb, heb ik te danken aan die eerste nacht daar.”

Deveci is kwaad, gekwetst en eenzaam. Zij accepteert geen hulp, ook niet van haar familie, terwijl dat voor veel Turken onbegrijpelijk is. “Mijn familie is medeverantwoordelijk voor het feit dat ik op straat leef. Ik ben alles kwijt, inclusief mijn kinderen, alleen maar om die drieduizend euro. Het maakt niet meer uit dat zij mij willen helpen. Zij kunnen de de pijn van de afgelopen jaren niet meer ongedaan maken.” De relatie van Deveci met haar familie verslechterde naar eigen zeggen door haar partnerkeuze. “Zij hebben mijn ex, de vader van hun kleinkinderen, nooit willen accepteren.”

Haar dagelijkse leven in de auto, is bijna routine geworden. Ze wordt wakker, loopt naar de autoshowroom waarvoor ze geparkeerd staat en maakt gebruik van de wc. Soms mag zij ook douchen in een hotel in de buurt, Deveci heeft recent kennisgemaakt met de eigenaar. Terug in haar auto luistert zij muziek, piekert zij over haar toekomst, maakt zij een wandeling en komt zij weer terug in haar auto om te slapen, soms zonder twee dagen lang iets gegeten te hebben. “Ik ben niet bang om alleen in de auto te slapen”, zegt zij dapper. “Ik ben alleen bang voor God en ik weet dat hij mij zal beschermen.” Vorige maand bleek die bescherming ook hard nodig. Onder invloed van haar medicijnen die zij slikt vanwege haar psychologische problemen, knalde zij keihard tegen een lantaarnpaal aan. “Ik heb geluk gehad dat het geen andere auto, of erger nog, een mens was. Op dat moment besefte ik dat ik dit leven op deze manier niet meer kan volhouden.”

Deveci probeert nu haar leven weer op te pakken. Zij heeft inmiddels een urgentieaanvraag gedaan via de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond voor een zelfstandig woonruimte. Maar ook daar lijkt de bureaucratie haar tegen te werken. Zij moet vier tot zes weken wachten op een reactie, en zelfs dan is het niet zeker dat zij woonruimte krijgt. Zij wil dat de gemeente Rotterdam zich houdt aan de gemaakte afspraken in een “ondersteuningsplan”, ondertekend op 29 mei 2015. Daarin staat dat Deveci “de structuur, bescherming en begeleiding van een BW (Beschermend Wonen, red.) behoeft om ten einde vanuit deze veilige gestructureerde omgeving weer een zelfstandiger bestaan op te bouwen”. Deveci: “Ik wil alleen maar een plek voor mijzelf en mijn kinderen. Ik vind het goed dat we opkomen voor vluchtelingen, maar ik kan niet begrijpen dat ze mij, een Nederlandse vrouw, in de steek laten. Ik heb die woning nu nodig, niet over zes weken.”

De woningcorporatie Woonstad Rotterdam wilde niet inhoudelijk reageren op de situatie van Deveci. “Dat betreft een individuele zaak tussen verhuurder en huurder en is dus privacygevoelige informatie. Die geven we niet door aan de media.”

DELEN
Hüseyin Atasever
Journalist gespecialiseerd in islam, Turkije en het Midden-Oosten.