18.2 C
Amsterdam
Home Blog Pagina 771

‘Moslima’s willen feministisch én vroom zijn’

0
Er zijn genoeg bronnen in de islam die feminisme ondersteunen en er zijn steeds meer moslima’s die streven naar vrijheid zonder daarbij het geloof te verliezen, stellen islamkenners. De Kanttekening sprak daarover met islamologe Anne Dijk, filosofe Heidi Dorudi en islamdocent Kamal Essabane.

Feminisme en islam, volgens sommigen gaan die twee prima samen, anderen betwijfelen dat. Op zondag 2 oktober vindt in het Amsterdamse centrum voor debat, bezinning en poëzie De Nieuwe Liefde de ochtendlezing Over inspirerende vrouwelijke denkers in de islam en het college Vrouwenlogica III: boerkini’s, bikini’s en soefi’s plaats. De ochtendlezing wordt gegeven door islamologe Anne Dijk. Volgens haar wordt door moslims in Nederland heel verschillend tegen feminisme aangekeken. “Veel salafisten bijvoorbeeld beschouwen islamitisch feminisme als te westers, als iets dat ‘de islam’ niet nodig heeft. Maar er zijn ook veel vrouwen die deze term omarmen. Om mij heen zie ik steeds meer hoogopgeleide vrouwen die zich ‘moslimfeministe’ noemen. Dat is een trend die je vijf jaar geleden niet zag. Dat gaat dan vooral over zelfbeschikking in de breedste vorm; het leven vormgeven naar eigen wens. Zonder te kijken naar wat de rest van de moslimgemeenschap daarvan vindt. Ze bepalen zelf wat ze gaan studeren, waar ze willen wonen en met wie en of ze trouwen.” Voor Dijk, zelf moslima, is het klassieke tassawuf (soefisme) een grote inspiratiebron. In haar lezing vertelt zij over vrouwelijke soefi’s en hun visie op vrijheid, zoals die van de mystica Rabia al-Adawiyya. “Adawiyya is bekend om haar grote liefde voor God en is de grondlegger van het liefdessoefisme, waar veel moslimtheologen zoals Hasan van Basra op hebben voortgeborduurd.” Deze mystica vond kracht in haar religie, zegt Dijk. “Door de focus op het goddelijke kon zij en andere vrouwelijke soefi’s zich losmaken van al het wereldse, dus ook van de oordelen en meningen van andere mensen. Hierdoor ervoeren zij de ultieme vrijheid.”

Een andere spreker is de filosofe Heidi Dorudi. Zij vindt dat je heel goed feministe én moslima kunt zijn. “Ik ben opgegroeid in Iran tussen vrouwen die opkomen voor hun rechten en die feministisch zijn. Tegelijkertijd geloven ze ook in Allah en de waarden die de islam uitdraagt. Als deze vrouwen moeten kiezen tussen geloof of genderbewustzijn, dan is het resultaat áltijd verraad: ze verraden dan of hun geloof of hun vrouw-zijn en de mensenrechten die daarbij horen.” Toch overheerst het beeld dat islam en feminisme niet samengaan. “Dat heeft met onwetendheid te maken”, zegt Dorudi. “De mainstreammedia en westerse politici hebben het beeld geschapen dat de islam inferieur is en de vrijheid aantast. Maar hoe zit het met vrouwen die uit vrije keuze een hoofddoek dragen? Er wonen ruim 1,7 miljard mensen op de wereld die moslim zijn. Ze hebben eigen overtuigingen en hangen uiteenlopende stromingen aan. Hun denkbeelden verschillen onderling zo sterk, dat je niet zomaar in het algemeen kunt zeggen dat ‘de islam’ — alsof het een op zichzelf staande entiteit is — onderdrukkend is”, aldus Dorudi. “Fanatieke atheïsten denken dat vrijheid alleen mogelijk is als alle religie uit de wereld is verbannen. Alleen, dat kan niet. De meeste mensen hebben een diepe behoefte aan spiritualiteit. Hoe verklaar je anders de populariteit van meditatiegroepen en zingevingscursussen? Natuurlijk, een overheid moet seculier zijn, maar de gedachte dat alleen secularisatie voor vrijheid kan zorgen is kortzichtig. Door te stellen dat feminisme enkel mogelijk is als je niet gelooft, sluit je groepen uit. Een dergelijke uitsluiting kan niets met vrijheid te maken hebben.”

Islamdocent Kamal Essabane claimt dat het islamitisch feminisme toeneemt in het Westen en het Midden-Oosten. Alleen wordt dit niet altijd als zodanig herkend. “De Pakistaans-Amerikaanse antropoloog Saba Mahmood deed gedurende twee jaar onderzoek naar groepen orthodoxe moslimvrouwen in Egypte. Deze vrouwen claimen een eigen ruimte in de moskee, wat tot conflicten leidt met de imam en het moskeebestuur. Ze bestuderen er samen de Koran en komen tot nieuwe vrouwvriendelijkere interpretaties, ze organiseren praatgroepen en gingen samen in gebed.” Voor een buitenstaander lijken deze bewegingen zeer behoudend. De vrouwen zijn vaak gesluierd en dragen lange traditionele gewaden. Mahmood stelt echter dat hier iets bijzonders aan de hand is. Ze ziet in deze beweging van vrome moslimvrouwen een nieuw soort feminisme. Deze vrouwen zijn, net als liberale feministen bezig met zelfverwerkelijking. Alleen is niet keuzevrijheid maar vroomheid het hoogste doel. “Ook islamitische vrouwen in Nederland kiezen ervoor feministisch en vroom tegelijkertijd zijn”, zegt Essabane. “Ze dragen bijvoorbeeld een hoofddoek en wonen op zichzelf, ze bezoeken debatten en bijeenkomsten over de islam of gaan veel vaker dan hun ouders naar de moskee”, voegt hij daaraan toe. “Deze nadruk op zelfontplooiing is niet nieuw. In het soefisme bestaat het idee dat je juist door discipline, door je te onderwerpen aan geloofsregels, jezelf kunt bevrijden. En ook de Griekse Aristoteles had verwante denkbeelden. Hij was niet voor onderwerping aan geloofsregels, maar vond wel dat je zelfdiscipline en training nodig hebt om steeds het juiste midden te vinden en zo bevrijd en gelukkig te worden.”

VS moet waken voor Iran

0
Het heeft in de Nederlandse pers amper aandacht gekregen: het opmerkelijke pleidooi van de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Javad Zarif in The New York Times om in VN-verband het wahhabisme – de staatsideologie van Saoedi-Arabië – te bestrijden, om zo een eind te maken aan de fundamentalistische terreur. Al eerder, vrijwel exact drie jaar geleden, had deze Amerikaanse krant zich geleend voor een soortgelijk opmerkelijk opiniestuk van buitenaf, van Vladimir Poetin, waarin hij het Amerikaanse exceptionalistische wereldbeeld – op grond waarvan Washington bijzondere rechten om elders te interveniëren claimt – hekelde.

Beide publicaties zijn opmerkelijk, omdat anti-westerse autocraten zelden een westers blad zullen uitkiezen om daar op de opiniepagina tussen jan en alleman te staan, en omgekeerd westerse bladen zelden hun kolommen voor autocraten vrijmaken. De vrijheid van meningsuiting: de kampioenen daarvan laten niet graag tegenstanders daarvan aan het woord, en de tegenstanders moeten van nature weinig van de media hebben die die belichamen.

Een oproep van de minister van Buitenlandse Zaken van het belangrijkste sjiitische land aan de godsdienstig neutrale VN om aan de heilsleer van de ideologische aanvoerdersstaat van het soennitische kamp een einde te maken: dat is zo’n beetje alsof protestanten langs deze weg het Vaticaan willen uitschakelen, of de paus zo alsnog zijn gelijk tegenover Maarten Luther (1483-1546) wil halen.

Het moet gezegd: net als Poetin indertijd, had Zarif nu een punt. De godsdienstig geïnspireerde terreur waarmee het Westen sinds twee decennia kampt, is van soennitische en niet van sjiitische huize, en wordt ideologisch sterk door Saoedi-Arabië gevoed en in het verlengde daarvan deels door Saoedische particulieren gefinancierd. Dat gold indertijd voor al-Qaeda zo goed als nu voor IS. En ook de Taliban horen religieus thuis in die hoek.

Iran heeft in dat opzicht altijd een consequente lijn gevolgd. Na 9/11 was het er als de kippen bij om op dit punt het getroffen Amerika de helpende hand te bieden: de Afghaanse beschermheren van Osama bin Laden (1957-2011), de Taliban, waren de aartsvijand van Teheran. Ze werden daarentegen gesteund door de Amerikaanse bondgenoot Pakistan, terwijl de aanslagplegers zelf grotendeels afkomstig waren uit Saoedi-Arabië, die andere belangrijke aloude Amerikaanse bondgenoot in de regio. Een ongemakkelijke bondgenoot, om met VVD-fractiewoordvoerder Han ten Broeke te spreken, maar ook in zijn ogen nog steeds een boven alle anderen te prefereren bondgenoot.

Dat Washington in 2001 de toen uitgestoken hand van Teheran niet heeft aangenomen, had drie redenen: Israël, omdat Iran als haar aartsvijand gold, Saoedi-Arabië, omdat de olie boven alles ging, en het favoriete concept van George W. Bush, ”de as van het Kwaad”. Daarin was het theocratische Iran van de ayatollahs broederlijk naast het seculier-dictatoriale Irak van Saddam Hussein (1937-2006) ondergebracht – terwijl die in werkelijkheid elkaars grootste anti-poden waren, zodat dan ook geen land zozeer van de val van Saddam heeft geprofiteerd als Iran.

Ook Noord-Korea zou overigens van ”de as van het kwaad” deel uitmaken, terwijl dat er toch werkelijk niets mee te maken had. Aan het kwaad van het bewind van de Kims hoeft men niet te twijfelen – alleen is van welke as naar het Midden-Oosten ook geen enkele sprake, toen evenmin als nu.

Dat Teheran een punt heeft, wil niet zeggen dat het zelf op het vlak van (staats)terroristisch geweld helemaal vrijuit gaat. Door de onvoorwaardelijke steun aan Hezbollah in Libanon en Bashar al-Assad in Syrië kleeft ook aan de handen van Teheran het nodige (moslim)bloed. En de aloude religieuze rivaliteit, die zich in permanent geïntrigeer over en weer vertaalt, heeft ook geopolitieke oorzaken: het is de meer dan tweeduizend jaar oude strijd tussen Perzen en Arabieren om het machtsoverwicht in de regio.

Het wantrouwen zit wederzijds diep, en leidt regelmatig tot scherpe aanvaringen, zoals nog recent bij de Saoedische executie van sjiitische geestelijken en het meestal chaotische, herhaaldelijk tientallen slachtoffers-in-het-pelgrimsgedrang kostende verloop van de hadj naar Mekka, dat in Iraanse ogen het Saoedische onvermogen om dit in ordentelijke banen te leiden demonstreert. Een constatering die door Teheran niet zonder politieke bijbedoelingen wordt gemaakt.

Omdat het religieuze en het politieke in het Midden-Oosten zo nauw met elkaar verweven zijn, dient de buitenwereld met elk partijkiezen terughoudend te zijn, zodra door één van de betrokken partijen onder een religieuze dekmantel politieke doelen nagestreefd worden, of met een beroep op politieke problemen het bereiken van een religieus overwicht moet dienen. Omdat de cruciale controverse tussen soennieten en sjiieten alleen door henzelf van het bijbehorende ontploffingsgevaar ontdaan kan worden, moet het Westen zich ervoor waken zich te gemakkelijk voor het karretje van één der betrokken partijen te laten spannen. Dat is in het verleden te vaak gebeurd, en daardoor zit het Westen te veel in het soennitische kamp, met naast Saoedi-Arabië Turkije en Egypte als vaste bondgenoten.

Geboden is een politiek van evenwicht, waarbij de gematigde krachten, die de – op zich duurzame – religieuze verschillen niet op de spits willen drijven, ondersteuning verdienen. Tegelijk kan men er niet omheen, Riyad op haar militante fundamentalistische ideologie aan te spreken. Dat te doen zonder het verlengstuk van de ayatollahs met hun eigen bijbedoelingen te worden, vergt van de nieuwe Amerikaanse president een niveau van staatsmanschap, waarover Hillary Clinton misschien, maar Donald Trump zeker niet beschikt.

De Turkse kwestie: stop met ophitsen

0
De aanleiding voor de Dreyfus-affaire, die Frankrijk en de rest van Europa rond 1900 in zijn greep hield, was de beschuldiging aan het adres van de Joods-Franse legerofficier Alfred Dreyfus (1859-1935) dat hij voor de Duitsers zou hebben gespioneerd. Verdedigers van Dreyfus, onder wie de beroemde schrijver Emile Zola (1840-1902), waren van mening dat de beschuldigingen het diepgewortelde antisemitisme in Frankrijk blootlegde. Voor de tegenstanders was de spionagezaak het zoveelste bewijs dat Joden niet te vertrouwen waren. De zaak had een enorme impact op de Franse samenleving en dreef families uit elkaar, brak vriendschappen op en legde de diepe verdeeldheid in de Franse samenleving bloot over het zogenoemde ”Joodse vraagstuk”. De affaire groeide via de massamedia uit tot een publieke zaak, een volstrekt nieuw verschijnsel in die tijd.

Ik moest steeds denken aan deze meer dan 120 jaar oude affaire toen de storm die boven Turkije woedt ook de Turkse gemeenschappen in Europa bereikte. De Dreyfus-affaire zelf is natuurlijk in geen enkel opzicht te vergelijken met de aanleiding van de diepe verdeeldheid onder de Turkse bevolking in Europa na de mislukte coup in juli, maar de manier waarop en met welk doel allerlei actoren zich in de controverse mengen vertoont schokkende overeenkomsten. De Dreyfus-affaire kreeg internationale proporties omdat politici, de pers, de regeringen in Europa, en allerlei maatschappelijke en religieuze organisaties zo hun eigen agenda hadden en er belang bij hadden dat de zaak op de spits werd gedreven. Als gewone burger had je in die tijd natuurlijk veel minder te zeggen dan nu, maar ook toen werd je welhaast gedwongen een standpunt te hebben. De affaire heeft heel lang diepe sporen nagelaten. Ik vrees dat de mislukte coup ook lang sporen zal nalaten.

Er lopen momenteel twee werkelijkheden door elkaar. Aan de ene kant de werkelijkheid van het publieke debat, gevoed door partijen en instanties die vooral bezig zijn de zaak in hun eigen belang verder op scherp te zetten. Aan de andere kant een werkelijkheid die we niet direct (willen) zien. Die is dat de overgrote meerderheid van de Turkse bevolking in Europa helemaal niet wil worden gedwongen een standpunt te hebben over de mislukte coup, over Gülen, over Erdogan of over wie of wat dan ook. Ik ben al een aantal keren benaderd door de pers die in veel gevallen hun conclusies al hebben geschreven en eigenlijk alleen nog wat soundbites nodig hebben om hun verhaal meer sjeu te geven.

Er wordt een beeld gepresenteerd dat ”de Turkse gemeenschap” over de gehele lengte en breedte met hart en hoofd in Turkije is en dat de integratie van deze groep dus is mislukt. Terwijl Turkse woordvoerders vechtend over straat rollen, heeft een deel van de Nederlandse politici de situatie met beide handen aangegrepen om vast te beginnen met de verkiezingscampagne die zonder enige twijfel in het teken zal staan van wat Mark Rutte noemde ”normering”. Een stelletje losgeslagen idioten, hoogstwaarschijnlijk geboren en getogen in Nederland, die het een journalist onmogelijk maakte zijn werk te doen, was voor Rutte een teken van mislukte integratie, van multiculturele vrijblijvendheid en een bewijs dat ”onze waarden” veel minder vrijblijvend moeten worden opgelegd. ”Pleur op” (naar Turkije) was zijn advies. Dat standpunt wordt door een groeiend deel van de bevolking overgenomen.

Een staatsgreep is niet niks, en het is niet verwonderlijk dat de emoties hoog oplopen, maar van de situatie waarin we nu terecht zijn gekomen zijn uiteindelijk niet alleen Turken zelf het slachtoffer, maar veel meer groepen in de bevolking. Wiens schuld dat is? Dat lijkt me een onzinnige vraag, maar iedereen draagt wel een beetje verantwoordelijkheid. Wat nu nodig is, is niet nog meer olie op het vuur en nog meer druk op de ketel, maar de-escalatie.

Dus vertegenwoordigers van wat voor organisaties, partijen of lobbyclubjes ook, denk aan al die mensen die part noch deel willen zijn aan dit conflict, denk niet alleen aan je eigen gelijk. Schaam je diep als je medeveroorzaker bent van de angst die bij veel kinderen bestaat omdat zelfs hun school kennelijk niet meer veilig is. Laat zien dat je best betrokken kan zijn met wat er zich in Turkije afspeelt, maar dat je tegelijk een burger van deze samenleving bent, en vooral dat je voldoende verantwoordelijkheidsgevoel hebt en lef in je donder om hier nu mee te stoppen. Politici, stop met dat vissen in troebel water voor je eigen politieke gewin en journalisten laat juist nu ook eens zien dat niet iedereen het eigen gelijk voorop stelt.

‘Arabische leiders hebben boter op hun hoofd’

0

De Tunesisch-Belgische arabist Chams Eddine Zaougui analyseert in zijn recent verschenen boek Dictators, een Arabische geschiedenis de oorsprong van de Arabische dictaturen en het mislukken van de ‘Arabische Lente’. Het is één van de best verkochte informatieve non-fictie boeken in Vlaanderen. De Kanttekening vroeg hem of de ‘Arabische Lente’ nog kans van slagen heeft.

Over de Arabische geschiedenis is al veel geschreven. Wat miste je in de bestaande literatuur en wat zette je er toe aan om zelf ook over deze geschiedenis te schrijven?
‘Naar mijn idee werd onvoldoende antwoord gegeven op de vraag waarom de protesten in 2010 zo gewelddadig verliepen en waarom dictators al zolang aan de macht zijn in Arabische landen. De academici die ik gelezen heb hierover schrijven over de Arabische wereld met een houding van ‘er valt weinig aan te doen’. De Arabische wereld leek gedoemd om opgezadeld te blijven met dictators. Ik miste een compact en toegankelijk verhaal over hoe de Arabische dictators te werk gaan. Ze hebben allemaal een trukendoos die ze inzetten, ze gebruiken corruptie om mensen aan zich te binden, hun strategieën hebben diepe sporen achtergelaten in de Arabische samenlevingen.’

Je bent van Tunesische afkomst, wat heb je zelf meegekregen van de dictatuur in dat land?
‘Ik ben in België geboren maar mijn vader is Tunesisch, we gingen bijna elk jaar op vakantie naar Tunesië. Dat waren fijne vakanties want ik deed leuke dingen met mijn familie. Tegelijkertijd kreeg ik ook de verhalen mee van martelingen, maar ik vroeg niet door. In een dictatuur word je afgeleerd om met politiek bezig te zijn. Je voelt de angst. Als er iemand was opgepakt hoorde je dat, maar al gauw spraken we weer over koetjes en kalfjes. Je voelde dat doorvragen over politiek niet gewenst was. Angst verlamt en dat is precies wat een dictator wil bewerkstelligen. Pas met het uitbreken van de opstanden eind 2010 en na research voor mijn boek begreep ik hoe het Tunesische regime van Ben Ali te werk ging.’

Tunesië wordt ook wel het enige land genoemd waar de Arabische lente wel geslaagd is, toch schrijf je dat er nog altijd veel vriendjespolitiek heerst. Is Tunesië desondanks het bewijs dat het allemaal niet voor niets was?
‘Tunesië is absoluut het goede voorbeeld. Er valt nog veel aan te merken op hoe de democratie werkt, maar we moeten niet uit het oog verliezen dat er in Tunesië sprake is van een geloofwaardige politieke arena. Er is sprake van een parlement en politieke vertegenwoordiging uit verschillende lagen in de samenleving. Er is nog heel veel gekonkel en vriendjespolitiek, maar een groot deel van de problemen wordt uitgevochten in het parlement. De besluitvorming sleept soms aan, maar dat kan gebeuren in een democratie. Daarbij moet worden opgemerkt dat het Tunesië nu voor de wind gaat, waardoor de democratie niet onder druk staat, politieke moorden en economische malaise kunnen de broze democratie uit evenwicht brengen. Het geluk van Tunesië is dat het een klein en homogeen land is en dat er onder de dictatuur al enigszins sprake was van tamelijk professionele staatsinstellingen, die elementen ontbreken volledig in een land als Libië, daardoor geef ik Tunesië meer kans van slagen.’

In hoeverre is het Westen verantwoordelijk geweest voor het succes van dictators als Zine al-Abidine Ben Ali, Hosni Mubarak, Muammar al-Kaddafi en Bashar al-Assad?
‘Het Westen draagt een gedeelde verantwoordelijkheid, de koloniserende landen hebben het voorbeeld van verdeel- en heerspolitiek gegeven en in feite hebben de dictators na hen dat voortgezet. De Arabische dictators waren populair, omdat zij het koloniale juk hebben afgeworpen, maar de dictators hebben in feite dat sentiment alleen maar gebruikt om de touwtjes steviger in handen te krijgen. De eerste leiders zijn misschien opgezadeld met een moeilijke geschiedenis, maar je kan dat niet volledig in de schoenen schuiven van het Westen, de Arabische leiders hebben ook boter op hun hoofd.’

Heeft de westerse militaire interventie in Libië, Irak en Syrië iets bijgedragen aan een oplossing of hebben zij alleen maar de situatie verder doen escaleren?
‘Eigenlijk zijn er bitter weinig interventies geweest. Libië is een uitzonderlijk voorbeeld. Ik denk dat het zeker goed is dat die interventie heeft plaatsgevonden. Er is nu een conflict van verschillende streken en milities tegen elkaar, maar zonder ingrijpen van het Westen en een aantal andere Arabische landen was Libië nu een soort Syrië geworden, een dictator als Kaddafi was daartoe in staat geweest. Wat je het Westen kan verwijten is dat ze te snel weg zijn gegaan. Wat betreft de interventie in Irak valt het Westen uiteraard veel meer te verwijten, dat was echt een invasie, die zeker niet op grote steun kon rekenen van de Iraakse bevolking. De inval in Irak heeft catastrofale gevolgen gehad en heeft onder meer de etnische breuklijnen blootgelegd. In Syrië ligt de focus op slecht één element van het conflict, namelijk de terreurgroep IS. Ze proberen de terroristen te vernietigen, waar ze volgens mij moeilijk in zullen slagen zolang de dictator Assad aan de macht blijft.’

In je boek trek je vaak de vergelijking met de Franse Revolutie, dat was ook niet één enkele gebeurtenis die tot verandering leidde. Wil je daarmee aangeven dat er nog hoop is voor de Arabische landen?
‘Zeker. De Franse Revolutie is een langdurig proces geweest, sommige spreken van tien jaar, anderen van zestig jaar en er zijn zelfs auteurs die zeggen dat de Franse Revolutie nog altijd gaande is. Er zijn altijd weer terugvallen. Aan de andere kant: Europa wordt niet meer geregeerd door koningen of dictators. Ik hoop voor de Arabische bevolking dat hun revolutie dezelfde kant opgaat. Hoop betekent niet dat het noodzakelijkerwijs goedkomt. Er is geen historische wetmatigheid die voorschrijft dat er altijd een duurzame verandering komt zolang er maar genoeg protest is. Voor het eerst in de Arabische geschiedenis is de jeugd er in 2010 in geslaagd om hun leiders af te zetten door massaal de straat op te gaan, dat betekent wel iets. Verandering is mogelijk.’

Je beschrijft de Egyptische president Gamal Abdel Nasser als het voorbeeld voor alle Arabische dictators na hem. Onder zijn regime kwam ook de politieke islam op. Heeft de politieke en radicale islam kunnen groeien dankzij Nasser en de dictators die na hem kwamen?
‘Dat is zeker het geval. Het mislukken van het sociaal contract, op het einde van Nassers leven, gaf zuurstof aan de islamisten: ze boden sociale diensten die de overheid niet meer bood. Religie is in het gat gesprongen van de uitzichtloosheid van de bevolking. Door het sociaal vangnet dat ze boden hebben ze een schaduwstaat opgebouwd. Dat heeft ze heel populair gemaakt. Religie is een goed bindmiddel voor zwakkeren in een samenleving, maar kan ook gemakkelijk misbruikt worden voor politieke doeleinden.’

Een groeiend aantal moslims ziet de islam als alternatief voor de wrede dictators, maar kan de religie politiek gezien wel een alternatief bieden?
‘Als je een oprechte eerlijke staat wil moet je daar geen elementen van de shariawetgeving in opnemen. In Europa is ook alles begonnen met de scheiding van kerk en staat. Ook in dat opzicht is Tunesië koploper aangezien zij besloten hebben om geen religieuze wetten in de grondwet op te nemen. Een rechtsstaat vereist individuele zelfbeschikking en ik denk dat religieuze wetten in de grondwet daarbij per definitie een obstakel vormen aangezien de staat er voor iedereen moet zijn en niet alleen voor degenen die de religie aanhangen. Je zag dat in Egypte bij de Moslimbroederschap die onmiddellijk toen zij aan de macht kwamen bepaalde groepen in de samenleving zijn gaan uitsluiten. Wat de Arabische wereld nodig heeft is een grondwet die niet door de ene of de andere groep opgeëist kan worden, een grondwet die alle etniciteiten, stammen en religies overstijgt.’

Hoe behandelt Marokko zijn religieuze minderheden?

0
Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse zaken van de VS heeft afgelopen maand een rapport gepubliceerd over de godsdienstvrijheid in Marokko. Dat geeft geen rooskleurig beeld, christenen worden belemmerd in hun vrijheid, desalniettemin profileert Marokko zich als koploper in het bestrijden van radicalisering. De Kanttekening sprak daarover Marokko-kenners Jan Hoogland en Herman Obdeijn.

Voor arabist Jan Hoogland komt de inhoud van het International religious freedom-rapport over Marokko niet als een verrassing. Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken verhaalt in het rapport over de godsdienstvrijheid in Marokko, en dat is al jaren min of meer hetzelfde beeld. De grondwet erkent de soennitische islam en het jodendom als officiële godsdienst. Evangeliseren is streng verboden. Marokkaanse christenen worden aangehouden en ondervraagd over hun religie en contacten met andere Marokkaanse christenen. Tijdens de ramadan heeft de overheid opnieuw meerdere mensen aangehouden wegens eten in het openbaar.

Geen onproblematische bevindingen, maar in vergelijking met andere islamitische landen valt het mee, reageert Hoogland die van 2009 en 2015 directeur van het Nederlands Instituut in Marokko (NIMAR) was. “De islam is de staatsgodsdienst. Koning Mohammed VI is de wereldlijke en geestelijke leider. Voor veel Marokkanen is het nauwelijks voorstelbaar dat er ook andere religies zijn. De staat wil niet dat er propaganda gemaakt wordt voor andere godsdiensten. Daarom zijn alle activiteiten die gericht zijn op bekering verboden. De malikitische islam is oppermachtig en moet worden beschermd. Op dat punt is er geen versoepeling.”

Niet alleen godsdienstige minderheden worden tegengewerkt door de Marokkaanse overheid. Ook ngo’s die opkomen voor homorechten en burgerlijke vrijheden hebben het moeilijk. “Sinds de ‘Arabische lente’ in 2011 is er een nieuwe regering gekozen. Voor het eerst sinds de onafhankelijkheid in Marokko is er een islamitische partij aan de macht. Ze zetten weinig stappen als het gaat om burgerlijke vrijheden. Op 7 oktober zijn er nieuwe verkiezingen. Een klein deel van de bevolking wil wel verandering”, aldus Hoogland.

Ook Herman Obdeijn, auteur van het boek Geschiedenis van Marokko, is niet geschrokken van het rapport. “Natuurlijk, er zijn zaken op het gebied van godsdienstvrijheid die verbeterd moeten worden, maar in vergelijking met andere islamitische landen is Marokko een voorbeeld van verdraagzaamheid.” Volgens Obdeijn is de Marokkaanse overheid niet tegen vrijheid van godsdienst maar vooral bang voor onrust onder de vele strenggelovige burgers. “In Marokko staan prachtige kathedralen; synagoges worden door de overheid opgeknapt omdat ze behoren tot het culturele erfgoed. De koning is de heerser der gelovigen, en bepaalt wat islamitisch is. Hij wil niet dat extremistische groeperingen gaan zeggen dat hij de islam onvoldoende beschermt.” Tegelijkertijd probeert de koning ook andere minderheden te beschermen.

“Het strenge optreden tegen bekeringspraktijken van christenen is niet omdat ze vinden dat dit zondig is. In de Koran staat dat je de andere godsdiensten van het boek, het jodendom en christendom, moet respecteren”, zegt Obdeijn. “De minister van Justitie heeft zelfs gezegd dat de Marokkaanse wet zich niet verzet tegen bekering, zolang er geen sprake is van dwang. Ook worden huwelijken tussen moslims en christenen erkend. Dat is een enorme stap vooruit. Je moet er vervolgens niet mee te koop lopen, dan verstoor je de openbare orde. Ze zijn bang voor de reactie van salafisten als ze niet optreden.”

Of het rapport enige invloed zal hebben op de Marokkaanse politiek en samenleving, betwijfelt arabist Jan Hoogland. Voor beroering zorgde vooral de vijftien minuten durende toespraak van koning Mohammed VI op de nationale televisie. Hij roept Marokkanen in Europa op samen met joden en christenen een front te vormen tegen terrorisme. “De koning neemt het voortouw in de bestrijding van radicalisering, zeker als het leidt tot geweld en het plegen van aanslagen. Dat maakt indruk.”

De niet-westerse Nederlander is politiek dakloos geworden

0

Maandag 5 september komt de Tweede Kamer terug van reces en begint het nieuwe politieke jaar weer. Op 20 september is het Prinsjesdag en zal het VVD-PvdA-kabinet voor de laatste keer haar plannen aan de Staten-Generaal presenteren.

Business as usual? Nee, niet echt. De algemene beschouwingen en begrotingsbehandelingen in de Tweede Kamer dit najaar, zullen niet alleen over de plannen van het kabinet gaan, maar ook sterk in het teken van de komende verkiezingen in maart 2017 staan.

Niet alleen zullen de lijsttrekkers de komende maanden iedere gelegenheid aangrijpen om zich te profileren, maar ook voor diverse Kamerleden staat er wat op het spel: hun herverkiezing. De kandidatenlijsten worden de komende maanden immers vastgesteld en een hoge plaats op zo’n lijst maakt de kans op een herverkiezing aanmerkelijk groter. Dat geldt in het bijzonder voor Kamerleden van de partijen die er slecht voor staan in de peilingen.

Verder zullen partijen de komende weken steeds vaker plannetjes lanceren om de politieke agenda te bepalen. Als het kan, zullen dat (licht) provocerende plannen zijn. Prikkelende voorstellen betekenen immers een grotere kans op media-aandacht en op ontstemde reacties van partijen van de andere kant van het politieke spectrum. Juist die reacties vergemakkelijken de profilering. Voor rechtse partijen als de PVV en de VVD is het bijvoorbeeld een zegen wanneer linkse partijen verontwaardigd reageren op hun plannen. Ophef betekent aandacht en de mogelijkheid je te onderscheiden van vooral die partijen waarop jouw achterban niet snel zal stemmen.

Vaak zal deze ophef de komende tijd gaan over onderwerpen die betrekking hebben op de thema’s integratie en immigratie. Dat zijn niet alleen onderwerpen met een hoge potentie tot ophef, ze hebben de afgelopen jaren ook aan actualiteit gewonnen, onder andere door de komst van grotere groepen vluchtelingen en de dreiging van het moslimterrorisme.

Vier jaar geleden was dat anders. Het is nu misschien moeilijk voor te stellen, maar tijdens de vorige verkiezingen waren immigratie en integratie amper een onderwerp van discussie. Allereerst vroeg de financieel-economische crisis alle aandacht. Daarnaast werden de onderwerpen ook min of meer bewust gemeden om de PVV niet te veel in de kaart te spelen.

De VVD heeft echter nu al bekend gemaakt dat in haar nieuwe verkiezingsprogramma de beperking van migratie een belangrijk onderwerp zal worden. De liberalen gaan daarmee de electorale strijd aan met het CDA en vooral de PVV. De PVV is in alle peilingen de grootste. We kunnen daarom de komende tijd rekenen op een reeks van plannen van VVD’ers, waarmee ze de PVV de electorale wind uit de zeilen willen nemen en de linkse partijen op de kast willen jagen.

Een cruciaal verschil met vier jaar geleden is de positie van de PvdA. Vier jaar geleden gaf de PvdA in de campagne veel prioriteit aan het kinderpardon. Tijdens de onderhandelingen met de VVD haalden de sociaaldemocraten dit pardon ook binnen, maar ze betaalden hiervoor een hoge prijs in de vorm van rechtse immigratie- en integratiemaatregelen die slecht vielen bij Nederlanders met een niet-westerse achtergrond, traditioneel vaak voornamelijk PvdA-stemmers.

Veel van deze stemmers zijn politiek dakloos geworden. De PvdA is geen ”Partij van de Allochtonen” meer. De aandacht die PvdA’ers Ahmed Marcouch en Lodewijk Asscher aan bijvoorbeeld (moslim)discriminatie besteden, wordt amper gezien en lijkt niet te baten. Voor partijleider Diederik Samsom of een nieuwe partijleider (Asscher of Ahmed Aboutaleb) zal het een enorme klus worden deze kiezers terug te krijgen.

De vraag is waar deze stemmers bij de komende verkiezingen wel onderdak zullen vinden.

Dat zou bij Denk kunnen. De onvrede over het integratiebeleid van de PvdA was de oorzaak van de breuk van Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk met de sociaal-democraten. Dit tweetal leek met Denk, de zoveelste kansloze splinterpartij te vormen, maar dankzij een slimme profilering waarbij effectief gebruik wordt gemaakt van sociale media, lijkt Denk kans te maken op twee tot misschien wel vijf zetels. Denk vertolkt met enig populisme de onvrede van de kiezers die vinden dat de PvdA, maar ook andere partijen die te weinig aandacht hebben besteed aan diversiteit, inclusiviteit en de aanpak van discriminatie en uitsluiting. Denk stelt het meten met twee maten aan de orde en dat vindt gehoor bij een deel van de kiezers.

Tegelijkertijd worstelt de partij zelf zichtbaar op een ander vlak met het meten met twee maten: waar de partij zich met reden scherp uitspreekt over schending van elementaire rechten in Nederland, houdt zij zich op de vlakte wanneer het over de schending van deze rechten in Turkije gaat. Daarmee sluiten ze de AKP-stemmende Turkse Nederlanders misschien in, maar worden ze voor andere kiezers minder aantrekkelijk.

De voormalige PvdA-kiezers die zich niet thuis voelen bij Denk, kunnen hun heil gaan zoeken bij D66, GroenLinks of SP, maar dan zullen deze partijen, meer dan in het recente verleden het geval was, duidelijk moeten maken echt te staan voor een inclusieve samenleving. Dat begint de komende maanden met het samenstellen van een diverse kandidatenlijst.

Complotdenken in Turkije: niets nieuws onder de zon

0
Ahmet Erdogan wil dan wel uitdrukkelijk vermeld zien dat hij geen familie is van de Turkse president, maar hij debiteert dezelfde complottheorieën als zijn naamgenoot (NRC, 9 augustus). De mislukte coup van 15-16 juli in Turkije verschilt volgens hem van de vorige coups, voornamelijk omdat de Gülen-beweging er nu achter zou zitten. Deze beweging zou zich volgens Erdogan in de afgelopen jaren diep hebben ingegraven in de Turkse staat en zo een staat in de staat hebben gecreëerd. De auteur spreekt zelfs van een ‘maffiastaat’. Wie achter de couppoging zit, staat op dit moment niet vast, maar voor Erdogan bestaat daarover kennelijk geen twijfel. Niet alleen toont de auteur een schrijnend gebrek aan achtergrondkennis over de rol van het leger in het naoorlogse Turkije, hij presenteert hier niet meer dan een nieuwe versie van een oud verhaal uit de Turkse politieke geschiedenis.

Het Turkse leger heeft drie keer de macht gegrepen: in 1960, 1971 en 1980. Eén keer, in 1997, werd de toenmalige regering de wacht aangezegd door het leger, middels een memorandum. En de meest recente poging is dus die van vorige maand. Daarnaast heeft het leger talloze malen in de politiek geïntervenieerd door zich met van alles te bemoeien. Het leger had tot het aantreden van de AKP, president Recep Tayyip Erdogans partij, in 2003 een grote staatsrechtelijke, economische en ideologische vinger in de pap. Het is in elk geval de verdienste van Erdogan dat die dominante positie in de afgelopen tien jaar afgebroken is.

Rond al deze legerinterventies deden altijd verhalen de ronde dat er sprake zou zijn van een ‘staat in de staat’, een ‘parallelle structuur’, die zich onttrekt aan de normale parlementaire controle. Het bestaan van zulke structuren, de ‘diepe staat’ zoals dat wel wordt genoemd, was interessant genoeg iets dat zowel door coupplegers als door tegenstanders gebruikt werd om zo een bepaalde groep als de schuldige aan te wijzen. Waar die schuldigen gezocht moesten worden, hing af van de politieke conjunctuur van de dag. Hoewel dit soort beschuldigingen nagenoeg nooit bewezen zijn, waren de gevolgen niet gering: massale arrestaties, in veel gevallen ook een aanzienlijk aantal doden en vaak ook een radicale ingreep in het politieke landschap. Het argument was altijd dat de staat dreigde te worden overgenomen door gevaarlijke ondergronds opererende tegenkrachten. Gewone oppositie werd op deze manier weggezet als staatsgevaarlijk.

Dit soort complotdenken heeft zich sinds vele decennia stevig in de Turkse politieke cultuur genesteld. Niets nieuws onder de zon dus. De verwijzing naar zo’n geheime en schimmige politieke onderwereld door Turkije-watchers als Ahmet Erdogan klinkt gewichtig en geleerd, maar stelt in wezen weinig voor. De auteur lijkt ook te suggereren dat het leger vanouds bestond uit kemalistische officieren die de scheiding van religie en staat beschermden, maar die nu te maken hebben met infiltratie door religieuze groepen. Het Turkse leger zien als een neutrale waakhond van de staat, is echter net als het bestaan van een parallelle structuur een hardnekkige, maar nauwelijks onderbouwde voorstelling van zaken. Juist de verdeeldheid binnen het leger en de rol die het moet spelen in de samenleving is altijd een punt van politieke controverse geweest in Turkije. Het vormde niet zelden een belangrijke kwestie bij verkiezingen. Vanaf de jaren veertig, toen Turkije lid van de NAVO werd, heeft het leger altijd uit verschillende fracties en bloedgroepen bestaan. Juist doordat het leger concrete politieke en economische belangen had, was er van eenheid nooit sprake. Dat beeld van het leger als hoeder van de seculiere staat doet het goed als mantra, maar gaat volledig voorbij aan het complex van factoren dat aan iedere staatsgreep ten grondslag lag. Die complexiteit negeert Ahmet Erdogan volledig.

Europa mag niet toegeven aan Erdogan

0
Politieagenten hebben in geval van chantages standaard altijd hetzelfde advies: niet toegeven, want dat is alleen maar een uitnodiging voor de ander om ermee door te gaan. Wie zich, uit angst voor de gevolgen van een weigering, eenmaal laat chanteren, geeft de boodschap af dat hij ook in de toekomst chantabel is. Wie een keer losgeld heeft betaald, zal er ook een volgende keer toe bereid zijn. Maar hoe zit het met chantage in de politiek? Misschien inderdaad niet wezenlijk anders. Wie zich in de politiek chanteren laat, geeft evenzeer te kennen dat hij zwak staat, omdat hij de gevolgen van een weigering meer vreest dan wat hij in geval van instemming moet slikken. En ook dat zal de tegenpartij stimuleren om voort te gaan: wie eenmaal heeft toegegeven, zal dat vast ook nog wel een tweede keer doen. Tenzij er gegronde reden is om aan te nemen dat in een tweede geval de omstandigheden – de machtsverhoudingen –dusdanig anders zijn, dat de chanteur een tweede keer bot vangt. De kans daarop is overigens in de politiek, waar die machtsverhoudingen soms plotseling door externe factoren veranderen kunnen, groter dan in veel particuliere gevallen, waar iemand bijvoorbeeld vanwege overspel wordt afgeperst. Hoe dan ook: ook in de politiek is toegeven aan chantage meestal riskant.

In deze situatie dreigt de Europese Unie zichzelf te brengen als het nu voor het jongste dreigement van Erdogan bezwijkt. De Turkse president heeft recent aangekondigd de dit voorjaar conform een afspraak met Brussel gesloten vluchtelingensluizen weer wagenwijd open te zetten, als niet voor de herfst de visumplicht voor burgers van Turkije om de EU in te reizen, is afgeschaft. Het één heeft weliswaar formeel niets met het ander te maken, maar Brussel is zo onverstandig geweest om die suggestie te wekken, door deze twee in een totaalpakket te regelen. Zo hoog was enkele maanden terug de nood in Europa gestegen, waar het de toestroom van (vooral Syrische) asielzoekers betrof. Niet alleen kreeg Turkije in ruil voor degelijke grensbewaking drie miljard euro toegezegd, ook deed Brussel nog een aantal andere beloftes. Ankara kon vragen wat het wilde en kreeg het, hoezeer ook tegelijk met voorwaarden omkleed.

Dat Europa meebetaalt aan de opvang van vluchtelingen in Turkije is, ongeacht de versnelde afbraak van de Turkse rechtsstaat onder Erdogan , gezien de onevenredig zware last die op Turkije rust, niet meer dan terecht. Maar juist gezien die afbraak van de rechtsstaat, die niet pas na de mislukte putsch begonnen is maar al veel eerder was ingezet, waren al de andere gemaakte afspraken en toezeggingen uitermate onverstandig. Dit, omdat de interne ontwikkelingen in Turkije – en dat was voorspelbaar – door Ankara en Brussel anders worden gewaardeerd. Brussel ziet ze, in lijn met de eigen normen, als een bedreiging voor de rechtsstaat, en dus voor de democratie; Ankara presenteert ze, met het terrorismegevaar en de putschpoging als argument, als noodzakelijke tijdelijke beperking van de rechtsstaat om de democratie te redden: in die bijzondere omstandigheden, aldus Erdogan en de zijnen, is er geen ruimte voor halfzacht geneuzel.

De meeste Turken in Turkije, maar ook de meeste leden van de Turkse gemeenschap in Europa, delen helaas die visie. Voor hen is de formele benadering van Brussel onbegrijpelijk en de weigering om de visumplicht af te schaffen wordt gezien als een zoveelste bewijs dat Europa hoe dan ook tegen Turkije gekant is. En doordat beide afspraken – over de voorwaarden inzake de vluchtelingen en de voorwaarden inzake de visumvrijstelling – tegelijk zijn uit onderhandeld, worden ze gezien als één en dezelfde grote deal, waarbij Europa haar afspraken nu dus niet nakomt, omdat Turkije immers de Syriërs tegenhoudt. Aangezien dat inderdaad voor Europa het hoofddoel was en Europa zo de hoofdzaak binnen heeft, kunnen de Europese argumenten om de visumplicht op te heffen – wat voor Turkije het hoofddoel was – aan Turkse zijde als smoesjes worden gezien om onder de wederkerige Europese verplichtingen uit te komen.

Hoe begrijpelijk een dergelijke zienswijze door de ongelukkige dubbele deal ook is, Brussel mag hier niet aan toegeven. Enerzijds omwille van de geloofwaardigheid in de ogen van de eigen Europese burgers, die – als het om afspraken met kandidaat-leden gaat – toch al niet overhoudt. En anderzijds omdat toegeven op zo’n principieel rechtsstatelijk punt een aanmoediging voor Ankara vormt om in de toekomst opnieuw met een dergelijk dreigement Europa voor het blok te zetten, als het nog verdergaande wensen uit. Hoe belangrijk de vluchtelingendeal voor Europa met het oog op de electorale (gemoeds)rust ook is: dan schuift men het probleem slechts voor zich uit.

Politiek succesvol is in zulke situaties degene die de meest stalen zenuwen heeft. Als Europa zelfverzekerder optreedt en niet voortdurend uitstraalt doodsbang te zijn dat Erdogan de deal opzegt, is al de helft gewonnen. Want zo sterk staat Turkije internationaal helemaal niet, gezien de recente knieval voor Poetin en haar isolement in het Midden-Oosten. Op de langere termijn heeft het kleinere Turkije het grotere Europa harder nodig dan omgekeerd. En dat betekent dat Brussel de Turkse bluf best met wat eigen bluf betaald zetten mag.

De mislukte coup is een zegen voor Erdogan

0
De mislukte staatsgreep in Ankara heeft inmiddels ook een aantal verontrustende ontwikkelingen binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap blootgelegd, waarbij de steeds verder oplopende politieke en maatschappelijke spanningen binnen Turkije nu ook in Nederland worden geïmporteerd. Verontrustend zijn daarbij vooral drie dingen. Ten eerste de vanzelfsprekendheid waarmee veel Turkse Nederlanders de lezing van Ankara over de couppoging kopiëren. Ten tweede de in verkettering en soms zelfs in geweld ontaardende bejegening van andersdenkenden (lees: alle critici van Erdogan ), waartoe dit bij sommige Erdogan-aanhangers leidt – plus het feit dat die dat ook als legitiem beschouwen. En ten derde het stilzwijgen van de nieuwe partij Denk, die toen het om de bescherming van moskeeën ging vooraan stond, maar nu niet van zich laat horen, omdat ook zij kennelijk het standpunt van Ankara klakkeloos overneemt. Een ding laten de twee Denk-Kamerleden op dit moment namelijk volledig na: zelfstanding denken.

In een interview met de NRC hekelt de Turkse ambassadeur in Nederland, Sadik Arslan, het gebrek aan westerse medewerking bij de aanpak van de Gülen-beweging als aanstichters van de couppoging. Het bewijs voor haar rol, zo beweert hij, is ”overweldigend”, ”hard” en ”overtuigend”. Of de ambassadeur ook zélf gelooft wat hij als zoveelste buikspreekpop van Erdogan uitkraamt, laat ik in het midden. In elk geval gelooft gelukkig geen enkele serieuze Europese politicus hem. Het punt is namelijk: het blijft in dat opzicht steeds bij schreeuwerige beweringen, die alleen met de regelmaat van een haperende langspeelplaat worden herhaald in de hoop dat ze daarmee vanzelf de waarheid worden. Tot nu toe heeft nog niemand ook maar een snipper bewijs daarvoor gezien. En zolang dat er niet is, bestaat er geen enkele reden voor welke westerse regering ook om in opdracht van Ankara enige maatregel tegen de aanhangers van Gülen te nemen. Dat, zoals Arslan beweert, er diverse bekentenissen van daders zijn, zegt gezien de omstandigheden waaronder die zijn verkregen weinig. Human Right Watch en Amnesty International maken zich met reden zorgen over de omstandigheden waaronder de verdachten van de couppoging worden vastgehouden, en op foto’s waarop enkelen hunner aan de pers werden gepresenteerd, zijn duidelijk de sporen van mishandeling te zien.

Verdacht is vooral het Erdogan-bewind. Met zeer grote gretigheid – Erdogan zelf sprak zelfs letterlijk van een ”godsgeschenk” – heeft ze de mislukte putsch aangegrepen om al zijn tegenstanders politiek uit te schakelen en zijn machtsgreep op het land te vergroten. Er is – buiten de heren Kuzu en Özturk misschien – toch niemand die echt gelooft dat al binnen een etmaal precies bekend is wie er allemaal bij de couppoging betrokken waren? Dat men dat allemaal binnen no time door politieonderzoek wist te achterhalen?

Tienduizenden mensen zijn nu al gearresteerd, ontslagen of op non-actief gezet. De lijsten daarvoor lagen uiteraard allang klaar, het wachten was voor Erdogan slechts op de beste gelegenheid. Wat dat betreft fungeert de klungelige couppoging voor hem precies als de even klungelige Rijksdagbrand voor Hitler: als goedkoop excuus om de noodtoestand uit te roepen en zo dictatuur te vestigen die toch al op het programma stond. Voor een Erdogan -aanhanger nu vanwege die vergelijking witheet van woede ontploft: het was Erdogan zélf, die recent Hitler als een daadkrachtige leider aanprees.

Zij die nu, ondanks die noodtoestand, hardnekkig Erdogan als ”democraat” blijven verdedigen – hij is inderdaad langs democratische wijze aan de macht gekomen, maar dat was Hitler ook – verwijzen graag naar Frankrijk. Daar is, na al die aanslagen, toch ook de noodtoestand uitgeroepen, en na Nice weer verlengd? En Turkije heeft toch, afgezien van die couppoging, met de PKK nog heel wat meer terrorisme te verduren? Dat laatste is allemaal waar, maar miskent een cruciaal verschil, los van het feit dat ook aan de Franse juridische (over)reactie wel degelijk dubieuze kanten zitten. Dat is, dat in Frankrijk die noodtoestand niet tot arrestatie, vervolging of ontslag van tienduizenden mensen heeft geleid, maar slechts tot die van niet eens een promille daarvan. Dat is het verschil tussen een land waar de regering zich door bloedige omstandigheden gedwongen voelt de noodtoestand uit te roepen, en een land waarvan de regering de omstandigheden maar al te gretig aangrijpt om dat te doen.

De formele democratie mag dan, met het afslaan van de putsch in Ankara gered zijn, de rechtsstaat is daarvan nu het slachtoffer  en daarmee ook de democratie in diepere zin. Want democratie behelst meer dan dat de meerderheid beslist: namelijk, dat daarbij de rechten van minderheden worden gerespecteerd, in plaats van met voeten te worden getreden. Dat is iets, wat al die Erdogan-aanhangers die in Istanbul juichend de straat opgingen om vervolgens de doodstraf voor alle als landverraders weggezette andersdenkenden te eisen, niet snappen.

Dat veel Turken in Turkije, gehersenspoeld als gevolg van het huidige mediamonopolie van het Erdogan-bewind, de propaganda van het bewind voor zoete koek slikken, is nog enigszins begrijpelijk. Maar dat ook een groot deel van de Turkse Nederlanders dat doet en sommigen hunner daarin een vrijbrief zien om anderen te terroriseren, stemt zeer droevig, omdat zij wèl in een land leven waar het hebben van een afwijkende mening een grondrecht vormt. Men had mogen hopen dat de voorlieden van Denk, die zich op andere momenten – en niet altijd geheel ten onrechte – over de naar PVV-clichés neigende opvattingen van sommige collegae beklagen, zich daarvoor nu luid en duidelijk zouden inzetten. Helaas is hen het vermogen daartoe kennelijk niet gegeven.

De Praagse Winter

0
Voor het eerst bezocht ik Praag dertig jaar geleden, twee jaar voor de ‘Praagse Lente’. We hadden het adres van een jonge activist die zijn medestudenten mobiliseerde tegen de communistische regering. De tien dagen die we in Praag met hem doorbrachten voerden ons van de ene verrassende ontmoeting naar de andere. Ik had nog nooit zo’n vreemde verzameling mensen bij elkaar gezien. Van ultra-nationalisten tot kunstenaars tot afgedwaalde communisten. De activisten hadden slechts gemeen dat ze optimistisch en vastberaden waren om hun samenleving vreedzaam te hervormen. Zij waren de mensen die zich niet lieten intimideren door het systeem. De beroemde dissident Vaclav Havel (1936-2011) noemde dit het ‘leven in de waarheid’.

Twee jaar na ons bezoek was de fluwelen revolutie een hoopvol feit. De generatie van die activisten is nu zelf aan de macht. Ik was deze week opnieuw in Praag voor het grote jaarlijkse IMISCOE-congres (International Migration, Integration, and Social Cohesion in Europe) met het thema migratie en ontwikkeling. Als organisator van het congres werd ik uitgenodigd bij de minister van Buitenlandse Zaken op de Burcht, het Tsjechische machtscentrum dat letterlijk boven Praag uittorent. De minister en haar ambtenaren bombardeerden ons ruim een uur met felle frustratie over de arrogante houding van het Westen ten opzichte van de voormalige Oostbloklanden. Vervolgens ook nog een lange tirade waarom het enerzijds onwaar is dat deze landen een negatieve houding ten opzichte van migranten hebben, maar het tegelijkertijd wel gerechtvaardigd is dat zij geen vluchtelingen willen opnemen. Mijn collega van de universiteit van Warschau opperde nog voorzichtig dat onze gastvrouw als minister toch leiderschap moest tonen, juist tegenover racistische sentimenten in de bevolking. En ik vroeg mij af… Wat is er gebeurd met die generatie activisten van de fluwelen revolutie? Waarom zo boos en naar binnen gekeerd? Hun standvastigheid lijkt te zijn veranderd in een starre houding waarin alleen het eigen gelijk telt.

De dag erna zag ik iets van een verklaring. Wij werden door een Tsjechische collega van de universiteit meegenomen naar de Vietnamese groothandelsmarkt Sapa, in een afgelegen buitenwijk van Praag en gevestigd op het voormalige slachthuisterrein. In de golf van sluitingen van staatsbedrijven na de val van het communisme is ook het slachthuis dat iedereen in de wijk van werk voorzag gesloten, waardoor dit nu één van de armste wijken van Praag is. Veel werknemers van het slachthuis hebben nooit meer werk gevonden. De Vietnamezen kwamen destijds gedurende het communisme als zogeheten ‘broedervolk’ naar Tsjechië om de schuld van hun land aan het Oostblokland af te betalen. Na de val van de muur in 1989 keerden zij niet terug naar Vietnam, maar zetten de textielhandel op in Praag. Een groep van twintig Vietnamese families heeft het slachthuis gekocht en het is nu een groot en levendig handelscentrum. Hun kinderen werken in de winkels en restaurants, maar gaan daarnaast ook massaal naar de universiteit en zij zijn zeer succesvol. Veel jonge Vietnamese families werken zelf dag en nacht, terwijl Tsjechische werkloze oudere vrouwen uit de buurt op hun jonge kinderen passen. De rollen zijn omgedraaid. Het laat de sociaaleconomische verhoudingen goed zien. Voor veel Tsjechen is de ‘Praagse Lente’ geëindigd in een lange winter.