Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik ben een trotse remigrant. Deze zomer verruilden mijn man en ik de Randstad voor een Hanzestad: terug naar Deventer, de stad waar ik 50 jaar geleden werd geboren. Meer rust, meer ruimte, dichter bij mijn moeder (én de beste kaas van Nederland, van kaasboer Kloas uit Bathmen). Wat wil een mens nog meer?
Verhuizen naar Deventer, dat is verhuizen naar de andere kant van de wereld, afgaand op de commentaren op ons verhuisbericht. Of juist naar de andere kant van de stad, volgens Egyptische begrippen. ‘Anderhalf uur met de trein? Dat is niks!’ aldus mijn schoonfamilie. Hun ochtendspits duurt als het meezit minstens twee uur. Onze Randstedelijke vrienden daarentegen vinden Deventer gigantisch ver, en dat laten ze merken ook. ‘Laten jullie weten als jullie weer eens hier in de buurt zijn? Want Deventer is wel een heel eind natuurlijk.’ ‘Ga je het hier niet ontzettend missen?’ vroeg een andere Haagse kennis. ‘Daar is toch een stuk minder te doen.’ De afstand Oost-West is aanmerkelijk korter dan andersom, dat is duidelijk. En dat je die afstand vrijwillig aflegt, is blijkbaar voor sommigen helemaal moeilijk voor te stellen.
Ja, natuurlijk is het in Deventer een stuk rustiger dan in Den Haag. De Brink is geen Malieveld, de Deventer Kermis is geen Prinsjesdag, het IJsselstrand is geen Scheveningen. Maar waarom vergelijken? Koekstad, Boekenstad, Go Aheadstad, Dickens-stad: er is genoeg te beleven hier. Ook hier staat een schouwburg, een filmhuis, een bioscoop, ook hier is heerlijke horeca en komt een kunstminnaar aan zijn trekken. Er spreekt een onmiskenbaar Randstad-centrisme uit dit soort opmerkingen. Alsof de wereld ophoudt buiten de G4. Dat doet hij niet, kan ik u geruststellen.
En zullen we ook eens ophouden alles buiten de G4 ‘de provincie’ te noemen, en mensen die daar vandaan komen ‘provinciaal’? Want ook Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland zijn per slot van rekening provincies, en de verschillen tussen dorpen en steden, wijken en bevolkingsgroepen zijn ook daar net zo groot als elders in het land. Bovendien: je bent niet waar je woont, en zeker niet waar je wieg stond.
Zullen we ook eens ophouden alles buiten de G4 ‘de provincie’ te noemen?
Eerlijk is eerlijk: als scholier was ook mijn blik vooral op het Westen gericht. Daar gebeurde het. Daar traden mijn idolen op, daar waren de hipste clubs, daar waren coole kledingwinkels die we hier (nog) niet hadden, daar kon je zomaar een BN’er in het wild tegenkomen. Heel wat anders dan in Overijssel, waar het in mijn tienerogen stil, saai en suf was. Ik kon niet wachten om te gaan studeren in ‘De Grote Stad’. Maar na twintig jaar Amsterdam en ruim tien jaar Den Haag had voor mij de Randstad inmiddels wel een deel van haar glans verloren. Ja, voor concerten, tentoonstellingen en theatervoorstellingen heb je in de grote steden ontegenzeggelijk meer keuze. Je hebt meer winkels, meer markten, meer restaurantjes uit alle windstreken. Maar ook: meer toeristen, meer vervuiling, meer lawaai, meer verharding.
Wat een verschil met Deventer. De rust, die ik als tiener zo saai vond, voelt nu juist als een verademing. Wat ons nog meer opvalt als nieuwkomers: mensen groeten elkaar op straat, ook volslagen vreemden. Er ligt nauwelijks afval naast de vuilcontainers. Auto’s en fietsen stoppen voor het zebrapad. Er klinken minder sirenes, er zijn geen trams. En al helemaal geen Instagramrijen voor veel te dure patatzaken of stroopwafelwinkels.
Mijn man is inmiddels bezig met zijn tweede inburgering, sinds hij voor mij Egypte voor Nederland verruilde. Op zoek naar een nieuwe moskee, nieuwe winkels voor zijn kruiden en producten, een nieuwe sportclub. Bij ons eerste boodschappenrondje in onze nieuwe stad werd hij aangesproken in onmiskenbaar Syrisch Arabisch. ‘Spreekt ze Arabisch? Maar ze is buitenlands toch?’ zei de man met een discreet knikje mijn kant op. Hij had mijn man en mij horen praten en kon ons duidelijk niet helemaal plaatsen. Het duurde even voor ik begreep wat hij bedoelde. ‘Dat je niet Arabisch bent’, verduidelijkte mijn man. ‘Nee, zij is van hier’, antwoordde mijn man. ‘Zijn jij en ik niet juist de buitenlanders?’ zei hij tegen de Syriër. ‘Nee joh, we zijn allemaal buitenlanders’, zei ik. En het mooiste is: allemaal zijn we hier thuis.
Nu u hier toch bent...
Goede journalistiek kost geld. Leden en donaties maken onze gebalanceerde berichtgeving over biculturaliteit, zingeving en vrijheid mogelijk. Steun ons daarom als u ons werk belangrijk vindt.
Vertel mij meer!

